Reizend door de bluesgeschiedenis

Eindeloos uitstrekkende katoenvelden. Strak blauwe lucht. Een zinderende zon. Armoedige houten huisjes. Op  veranda’s black locals, loom schommelend in hun stoel.  En ergens in de verte kabbelt de Mississippi. Wij zijn in de Mississippi-Delta.  Een landschap dat niets heeft  van de lieflijkheid van Tennessee, noch de charmes van de Carolina’s,  Georgia en Virginia. Het is er vlak, saai, uitgestrekt, meedogenloos heet en hard. De armoede spat je van alle kanten tegemoet.  Maar de Delta heeft wél iets dat je nergens anders in Amerika tegenkomt: de roots van de blues. Dat de laatste  in de Delta  ontstaan zijn  is met die omstandigheden niet zó verwonderlijk.
De Delta én de Blues.  En mocht de argeloze reiziger niet op de hoogte zijn van muziekgeschiedenis, dan werd deze lacune bij de staatsgrens  wel even bijgespijkerd. ‘Welcome to Mississippi, Birthplace of America’s Music’ staat op het niet te missen grensbord. Of wij dat niet weten.  Daar zijn wij immers naar op zoek.
Wat muziek betreft werd een dag eerder, in Memphis de ‘aftrap’ genomen. Wat voor de Delta de blues is, is rock ’n roll voor Memphis.  Elvis,  Graceland én de legendarische Sun-Studio, dé toppers van de stad.
Nu zijn wij drie uur ten zuiden van Memphis, rijdend  over de highway 61. Bestemming Clarksdale, hartje Delta.
Maar eerst even de  highway 61. Dat deze  kilometerslange, doodstille weg, nu de Bluestrail genoemd wordt sta ik niet van te kijken. De ‘61’, ongetwijfeld vaak bezongen door de bluesjongens. Ik  durf er dan ook niet aan te denken hoe veel legendes  over de ‘61’  zijn getuft, op weg naar het rijkere noorden, de armoede achter zich latend. Grootheden als Muddy Waters, Howlin Wolfe, John Lee Hooker en Eddie Calhoun, maar ook Sam Cooke en Ike Turner, zeker. En allemaal moeten zij het kruispunt highway 61 met de ‘49’ zijn gepasseerd. Niet geheel toevallig siert op  deze crosroads nu twee gigantische grote gitaren staand op een paal.
Een opwarmertje voor wat een paar kilometer verder staat te wachten. Het Delta Blues Museum dus! Gevestigd in een voormalig depot van een treinstation. Dat het gebouw in een troosteloze, armoedige, afbraakwijk staat bevestig alleen maar het  begrip ‘blues’…
Het begin is meteen goed. Op het trottoir  voor het museum liggen diverse bronzen ‘struikelstenen’ met de naam van een blueslegende. Behendig spring ik over die van Ike Turner heen. Ike, indertijd zijn Tina honds behandelend, is een geboren en getogen Clarksdaler. Evenals Sam Cooke en John Lee Hooker. Het museum is rauw, eerlijk, zonder opsmuk, zoals de blues zelf. Voor tien dollar dompel ik mij onder in de bluesgeschiedenis.
Dat Muddy Waters als kind in Clarksdale kwam te wonen zijn ze in het museum niet vergeten. De hut, want meer is het niet, waar hij in opgroeide, werd van afbraak gered en is één van de hoogtepunten van het museum.  En nee, ik ga niet uitgebreid uitweiden over de expositie. Ik hou het maar bij dat voor een gemiddelde muziekliefhebber  het museum verplichte kost is.  Alleen al  de gitaarcollectie van John Lee Hooker was een omweg naar het Delta Blues Museum meer dan waard. Kortom voor de reiziger één grote aanraaier.

Advertenties

De Hel is géén grap

Nergens anders is het gevoel van zó intens aanwezig als rijdend door de Mississippidelta. De Delta synoniem met witte katoenakkkers, rietsuikervelden, notenbomen, oorlogskerkhoven, plantagehuizen maar ook een stadje als Natchez, die ongeschonden uit de Burgeroorlog was gekomen. 
Alsof de tijd heeft stil gestaan. Aan de loswal van Natchez, ‘down by the river’,met zijn oude pakhuizen en kroegen, liggen twee raderboten gemeerd en beland ik direct in de wereld van Mark Twain. De ene is de ‘Lady Luck,’ een replica die fungeert als drijvend casino. De ander  de ‘Delta Queen’ die pruttelend, proestend en hijgend onder stoom ligt te wachten. Huckleberry Finn en zijn vriendje Tom Sawyer kunnen ieder moment langskomen.
De Queen neemt passagiers aan boord en op de wal staan opvallend veel locals te kijken. ‘Het is een verdomde schande’, bromt een man met zangerige zuidelijk accent. En gelijk heeft hij. De Queen die honderdtwintig jaar op de Mississippi heeft gevaren, maakt vandaag zijn allerlaatste tocht. Terwijl het een avontuur op zich is om in de States een brug over te rijden, want instortingsgevaar door slecht onderhoud, heeft de Amerikaanse overheid besloten het houten stoomschip onveilig te verklaren.  
Als de laatste passagier aan boord is vaart de Queen met een rookpluim de Mississippi op.
Natuurlijk had de kapitein als protest de wapperende Stars and Stripes over boord moeten smijten en vervangen door de vlag van de voormalige opstandige staten. In de man blijkt toch een rebel te zitten. Midden op de rivier begint het aan dek staande stoomorgel, de Dixie Doodle te spelen, hét strijdlied van de Zuidelijken. Het uitzwaaiende volk zingt mee. De Delta Queen zakt fluitend, loom en traag de rivier af, een scène met een heel hoog Hollywoodgehalte. In de strakblauwe lucht kunnen ieder moment de woorden ‘The End’ verschijnen.
De  highway 61, een honderden jaren oude en voormalige postweg,  tussen Vicksburg en Batton Rouge, slingert zich door een golvend landschap waar de burgeroorlog nog steeds aanwezig is. Omzoomd door rustieke bomen, overwoekerd met Spaans mos en onder kleine grafstenen, liggen gesneuvelden te wachten op het Armageddon. De historische slagvelden zijn niet ver weg.
Rietsuikervelden, katoenakkers, notenbomen en plantagehuizen worden gepasseerd. Het is stil, heet, verkeer is er nauwelijks, alleen het geluid van krekels en andere tjilpelend ongedierte is te horen. Het ‘zuiden’ is ook de biblebelt van Amerika. De honderden, dikwijls houten kerkjes, hebben een merkwaardige manier om de gelovigen scherp te houden. Op grote borden langs de weg wordt duidelijk gemaakt dat er met Hem niet te spotten valt.
Met stichtelijke teksten als
 ‘the hell is  not a joke’ en andere soorten van ‘hel en verdoemenis’ wordt de zondaar in dop de stuipen op het lijf gejaagd.
Bezorgd over wat mij aan gene zijde allemaal te wachten staat neem ik de afslag naar de  highway 10 waar de Rosedown Plantage zich bevindt…

James én de plantage Rosedown

Tuffend over de lange oprijlaan,  mét  cipressen,  aan de horizon katoenvelden, verwacht je warempel die gladjakker van een Clarke Gable op te zien duiken  als Rhett Butler in ‘Gejaagd door de Wind’. 
De plantage Rosedown, wit houten huis, pilaren, balkons en grote tuinen, is precies zoals Margaret Mitchell in haar boek ‘Gone With the Wind’  bedoeld heeft. In plaats van Clarke val ik in de handen van James, een gids die mij een rondleiding gaat geven, voor acht dollar. 
James vertelt dat de complete inrichting nog origineel is, maar het interieur wordt gedomineerd door een monumentale hal met mahoniehouten trap. Vanaf de muren, met Frans behang, kijken toenmalige bewoners mij verwijtend aan. De eettafel is voor zestien personen rijkelijk gedekt. Boven de tafel hangt een metersgrote punka een soort waaier die door een slaaf met een touw in beweging werd gehouden. De inhoud van de kinderkamers doen verzamelaars van antiek speelgoed watertanden. De bewoners namen het er goed van. Hoe de toenmalige slaven waren gehuisvest daar kan James geen antwoord op geven.
Rosedown dat ongeschonden de burgeroorlog heeft doorstaan werd in 1835, voor dertienduizend dollar, door een zeker mijnheer Turnball gebouwd. En die deed daar maar zes maanden over, laat James met een begrijpende blik op volgen. Nogal wiedes als je de beschikking hebt over een houtzaagmolen, een groot bos en vierhonderd slaven.
James laat zich niet uit het veld slaan door sceptische blikken en steekt een treurig verhaal af. Zo stierven de nazaten van Turnball door de gele koorts en malaria. En als ze niet getroffen werden door enge ziektes dan verzopen ze wel als katten.  
Zoals Turnball’s  kleinzoon die tijdens een boottochtje op de Mississippi overboord sloeg en jammerlijk verdronk. Wel een gigantische plantage runnen maar niet iets simpels als de schoolslag beheersen. Het leven kon voor een plantagehouder best wreed zijn.

80.000 Brullende motoren

En ze waren allemaal aanwezig. De Red Knights, de Blood Brothers, de mannen van de  American Legion Riders, de Vietnam Riders,  en veel, heel veel ‘vrije’ rijders. Onder hun kont het ultieme vrijheidssymbool, een ploffende, en grommende Harley- Davidson. Als de hel een geluid heeft dan moet dat lijken op tachtigduizend brullende motoren. Want zoveel motorrijders troffen elkaar bij het Delmarva Bike Week, het jaarlijkse treffen in Ocean City,  aan de kust van Maryland.
Hoewel ik  nooit een buddysit tussen de benen had, is motorrijden in Amerika, van een heel andere beleving dan thuis. Zijn bikers  in Nederland altijd gehuld in dik leer mét een helm op, in Ocean City onder een gloeiende zon, gebeurd dat in een mouwloze jack al dan niet met een bandana op het hoofd. In een urenlange optocht, wiel aan wiel, van de vroege morgen tot laat in de avond, over de vijftien kilometer lange boulevard, is het zien en gezien worden.  Favoriete stopplaats is de plaatselijke Harley-Davidson dealer waar, in de showroom, o ironie, geen motor te bekennen valt maar wél alles op het gebied van motormode.
Op de immense parkeerplaats honderden motoren, en tientallen stalletjes waar de Confederale rebellenvlag uitdagend boven wappert. Aan de modale gemotoriseerde rebel is duidelijk gedacht. Je kunt er je tank kunstzinnig laten beschilderen, helmen kopen, leren kleding, zonnebrillen en de patches: de fel gekleurde, gestileerde afbeeldingen, door een zwetende bebaarde man een ratelende naaimachine, direct op het jack genaaid. Patches, daar is de status van een motorrijder aan af te lezen.
En uit sommige afbeeldingen blijkt dat bikers een ijzeren geheugen hebben. Dat filmster Jane Fonda midden in de Vietnam-oorlog naar Hanoi vertrok om haar sympathie met Amerika’s vijand te betuigen, dat zijn ze in ‘het Zuiden’ nog lang niet vergeten. ‘Fuck Jane’ staat op tientallen patches, waarbij de actrice in compromitterende houding, ‘verwend’ wordt door Ho Tchi Min, de toenmalige leider van de Vietcong. Dat haar eveneens acterende broer Peter  zich uiteindelijk tot Amerika’ s ultieme Easy Rider zou ontpoppen, doet daar blijkbaar weinig aan af.
Bij een van die stalletjes stond een angstaanjagend uitziende kerel voorzien van een woeste baard, getatoeëerde armen en gehelmd met ‘model Wehrmacht 1941’. De man maakt  de stevige indruk wel trek te hebben om mijn kop er af te slaan. Een vooroordeel. Terwijl hij een bijbeltraktaatje in mijn handen stopte gromde hij of ik mij wel bewust was dat HIJ ook voor mij gestorven was. Halleluja-juteperen! Praise the Lord!
Voor mij stond een heuse Rider for Jesus, althans dat stond met grote letters op zijn armen én achter op zijn jack. Zijn motor, een missiepost op twee wielen, waar de Heer, een heel prominente plaats op innam. Vanaf een glimmende en blinkende benzinetank kijkt een aan het kruis genagelde Jezus mij lijdend aan.
Ik moet mijzelf door een wirwar van gestalde motoren wringen om de ingang van de obscure lokale kroeg, te bereiken. Gelokt door harde muziek een rock ’n rollband, stap ik naar binnen  Ik beland ogenblikkelijk in de wereld van ZizzyTop en Jerry Springer. De band speelt nummers van Creedence Clearwater en de zangeres lijkt griezelig veel op wijlen Janis Joplin.
De tent barst uit zijn voegen. Mannen met baarden tot aan de navel, haarvlechten, bandana,  armen vol tatoo’s en gekleed in leer, denim en laarzen. Ik loop rond in een oenige korte broek en lullig T-shirtje. Bier wordt gedronken uit flessen. Op het poolbiljart ligt een meid te slapen, in kennelijke staat. Mij wordt geen blik gegund.
Dan gebeuren er verschillende dingen tegelijk. Opgezweept door bier, én de muziek springen een paar meiden op de bar. T-shirts worden uitgetrokken die het publiek in verdwijnen.
Blote borsten dansen en deinen op de maat van de rauwe klanken van Janis. Een van de bikers blijkt over ongekende creatieve talenten te beschikken. Met een keu krijtje begint hij tepels blauw te ‘krijten’.

Terwijl zes blauwe punten in het rond zwiepen, de kroeg los gaat, verdwijn ik in het donker van de nacht.

De koeienhel van Dever


Echt welkom was ik niet. Het liefst hadden zij mij direct weg geschopt.  Wat moesten ze met die pottenkijker uit Amsterdam. Logisch. Op de veeveiling van Devers, hartje Texas gebeuren zaken waarvan die twee meiden van de Partij van de Dieren onmiddellijk in de stress schieten. Het koor van loeiende koeien en het sinistere gemekker van geiten, wat van ver te horen was, klonk nou niet echt vol levensplezier.
Megalomanie is in Texas een vorm van levenskunst.  Op een groot bord langs de weg, staat dat alles in the Lone Star State véél groter is dan elders. Dan moet je ook niet raar opkijken van de enorme omvang van de Devers veeveiling. Op de parkeerplaats staan honderden veetrailers. De veilingtribune is een aardige afspiegeling van de bevolking. Té dikke mannen met enorme Stetson op het hoofd zitten heup aan heup te luisteren naar de ratelende veilingmeester.

In de zaal slaat een stalen deur open. Met veel geschreeuw wordt een dartelend en pas geboren kalfje naar binnen gejaagd. Met een raar jengelend stemgeluid gaat de veilingmeester los. Voor zestig dollar wordt het diertje gekocht door een muizige vrouw op westernlaarzen. Het echte spektakel, wat het daglicht niet kan velen, vindt plaats in de stallen achter de veilingzaal, waar fotograferen verboden is.
In een labyrint van stalen boxen wachten honderden koeien voorzien van een nummer tot ze onder ‘de hamer’ komen. Kalfjes die niet snel genoeg zijn worden letterlijk in de nek gegrepen en achter de deur gegooid. Tussen de boxen in cowboys op hun paard die met veel geschreeuw, slaan, maar ook met stroomstokken het handelswaar de veilingzaal injaagd. Zo moet de koeienhel er dus uit zien. Raar, maar we hebben opeens een hartgrondige hekel aan die boerenlullen met hun rare hoeden.
Het verderop gelegen Montgommery spoelt de vieze smaak weer enigszins weg. Montgommery heeft dan ook een aardig stukje lokale geschiedenis. De dorpsstraat oogt authentiek negentiende eeuws. Een voormalig postkantoortje, kruidenier én de bank, waarin nu antiekzaakjes zitten, kunnen zo als decor van en westernfilm dienen. De bank, uit het begin van de twintigste eeuw, was opgericht voor en door de omliggende veeboeren: zo staat er op een bronzen bord aan de gevel. Een soort boerenleenbank waar de dollars van de ranchers veilig opgeborgen waren. Dus niet!
In 1933 kwam het illustere gangsterpaar Bonnie en Clyde, met hun stenguns langs. Niet veel later ging de bank failliet.

Voor een Amsterdamse reiziger, vers van de veeveiling een kleine genoegdoening.

Las Vegas is nog ver weg

Kan een vrachtwagencombinatie met twee gigantische aanhangers in vliegende vaart een fietser op tien centimeter afstand passeren? Toegegeven, het moet razend moeilijk geweest zijn maar het wás te doen. Het gebeurde op interstate 285 die dwars door de Rocky Mountains gaat.
Twee dagen eerder ben ik in Denver met mijn fietstocht begonnen: bestemming Las Vegas. Haarspeldbochten waar bergmassieven in Europa een patent op hebben zijn hier onbekend. In de Rocky’s gaat de weg gewoon urenlang rechtuit omhoog en slingert zich als een serpent door het Pike National Forest.
Het is uitgestorven. Bewoning is er niet of nauwelijks: wat zijn charmes heeft. Geen hoempapadorpjes als in de Alpen, alleen maar oorverdovende stilte in een bijna ongerepte natuur. En net als je denkt dat ze de weg alleen voor jou hebben aangelegd, scheurt er een levensgrote vrachtwagen met over de honderd kilometer per uur enkele centimeters langs mij heen. Giddy up Go Daddy.
De schrik slaat er meteen goed in. Na dat incident gaat het fietsen een vorm van koorddansen worden. Want de uiterste rand van de weg wordt bereden. Maar het avontuur blijft. En dat is urenlang in de bergen rijden om het dorpje Fairplay te halen, waar volgens de Lonely Planetgids een motelletje is.
De Rocky Mountains zijn precies zoals ik het dikwijls op National Geographic zag. Maar in het echt nog indrukwekkender, stiller, leger, en ruiger dan vanuit de luie stoel. Doorzichten op besneeuwde toppen, donkere wouden, afgewisseld door prairieachtige stukken. Dan wordt de stilte doorbroken door een zacht gebeuk. Tegen de bosrand aan staan twee grote herten met de koppen tegen elkaar aan te slaan. Wat kan hen nou een fietser uit Amsterdam schelen als de bronstijd er aan komt, de hinden gewillig zijn en de hormoontjes door het hertenlijf gieren. Maar naast het ‘beestenspul’ ook opeens, zomaar, tussen bemoste dennenbomen, een vervallen blokhut. ‘Bob Ross’ is het eerste wat je te binnen schiet. De Amerikaanse tv-schilder (,,zullen we er nog een boompje bij zetten’’) had een octrooi op dat soort landschappen.
Maar het gemijmer over pulpschilders, bronstige herten en bloedstollende natuur maakt plaats voor een soort radeloosheid als de zon onder begint te gaan, de weg nog steeds naar de hemel lijkt te leiden en Fairplay in geen velden of wegen te bekennen valt.
En net als je gaat denken aan een nacht in de open lucht ligt, als een vliegenpoepje, Fairplay voor je, wat niet meer blijkt te zijn dan een restaurantje, benzinestation wat morsige huisjes en dat ene motelletje. Of ik even mee wil komen vraagt een dag later de eigenaar van Mothers Home Cooking aan mij. Ik heb zojuist een ontbijt op van gebakken aardappelen, eieren, worstjes, toast, pannenkoeken, weggespoeld met een kan koffie. Ik moet een speld prikken in een wereldkaart op de plek waar ik vandaan kom. Aan het aantal spelden te zien komen er niet veel Nederlanders in zijn tentje en ik ben de eerste uit Amsterdam.
Bulkend van het reuze ontbijt stap ik op de fiets om mijn lang verwachte beloning in ontvangst te gaan nemen, want na een tien kilometer lang plateau begint een afdaling van zestig kilometer lang richting Salina.
Het woord ‘kicken’ is een eufemisme. Dit is genieten van de snelheid waar je niets voor hoeft te doen, en maar kijken naar rondvliegende roofvogels, wegspringende hertenroedels, en, wat was dat? Een wolf of coyote?
Van de Rocky’s tot aan de staatsgrens met Utah moeten Salida, Gunnison, Montrose en
Grand Junction worden gepasseerd. De slopersbal heeft in de laatste drie stadjes regelmatig rondgeslingerd. Salida waren ze vergeten en blijkt een puntgaaf westerndorpje te zijn, met gevelwanden die in Hollywood geen gek figuur zouden slaan. In de hoofdstraat verwacht je goudzoeker Chicken Joe die met zijn muilezels de hoek komt omslaan.
De uitlopers van de Rocky’s komen uit in het prairiegebied van West-Colorado. Na het stadje Montrose gaat de interstate 50 dwars door een soort godverlaten en verwilderde Flevopolder op weg naar Grand Junction.

Wat begon als een lichte ongerustheid verandert in een paniek die ik langzaam in mijn lijf omhoog voel kruipen. Het zal mij toch niet gebeuren dat ik zonder water kom te staan in een van de droogste woestijnen van Amerika?
Vanaf Grand Junction, de laatste stad in Colorado, moet ik de sprong naar Moab maken.
Honderdnegentig kilometer dwars door de San Rafaelwoestijn.
Rond 1850 trok Brigham Young met duizenden volgelingen er doorheen om in het westen de mormonenstaat Utah te stichten. Na Young waren de legendarische treinrovers Butch Cassidy en de Sundance Kid er actief. Het vervoermiddel van Young en zijn mormonen waren ossenkarren. Butch en de Kid reden op paarden. Ik doe het op een mountainbike voorzien van meer dan twintig versnellingen.
Maar wat heb ik aan dat ‘spacy’ materiaal als ik bijna droog sta. Twee bidons water is meer dan genoeg had ik mij ’s morgens voorgehouden. Wat een misplaatste arrogantie en wat een naïeve  gedachte.
Het bord, dat opeens langs de weg opdoemt, gloeit als het vlammende zwaard van de aartsengel. ‘10 Miles, Gasstation’, lees ik tot mijn grote opluchting.
God Bless America staat er met grote letters op de gevel van het tankstation, de Stars en Stripes hangt halfstok, en overal grijnst die oorlogszuchtige dombo vanuit het Witte Huis mij tegemoet. Voor het geval een buitenstaander het vergeten mocht zijn, het is vandaag 11 september. Maar wat kan mij een Osama bin Laden, en Bush nou schelen als mijn huig aanvoelt als het geslachtsdeel van Toetanchamon.
Een liter Coca-Cola, een grote zak chips en voldoende schaduw, meer heb ik niet nodig. De cafeïne en de suiker van de cola, zout en koolhydraatjes van de chips doen wonderen. Hier kan geen dure sportdrank of voeding tegen op. Hersteld begin ik aan de laatste zeventig kilometer naar Moab.
De interstate 190 is kaarsrecht en volkomen verlaten. Het is 45 graden, mijn stuur voelt roodgloeiend aan, en het water en de flesjes Cola in mijn tassen staan op kookpunt. Naast mij rijdt een meterslange pikzwarte renner, die ik maar niet kan afschudden. De zon is bezig haar te stralen over de vuurrode rotsen te persen.  Motel Benelux is de naam van het motelletje, waar ik met zoutkorsten overdekt binnen val.
De eigenaresse, een Française, beheerst het Engels als inspector Clouseau. Natuurlijk wil ik een ‘reum’ en een pot bier, voeg ik er in het plat Amsterdams aan toe. Vermoeid zoek ik mijn kamer op. Las Vegas is nog ver weg.

Helden op Boothill Graveyard

Het is het uitzicht wat de plek uniek maakt. Vanaf de begraafplaats, boven op een heuvel, kijk je uit over een door de zon geteisterde, zinderende en stoffige prairie, omzoomt door de Dragoon Mountains. Er staan metershoge cactussen, in de knallend blauwe luch, loom zwevend op de thermiek, gieren, en als een potloodstreep loopt de interstate 80 dwars door het land heen .
Ik bevind mij op Boothill Graveyard, vlak buiten het dorpje Tombstone, in het zuiden van Arizona, zo’n zestig kilometer van de Mexicaanse grens. Als de ‘Wild West’ geschiedenis heeft dan is het allemaal in Tombstone terug te vinden.
Tombstone, gesticht rond 1870 door zilverzoekers, die daar grote voorraden van het glanzende metaal vonden, werd een ‘Booming Town’. Rond 1880 telde het plaatsje vijfduizend inwoners had honderdtien kroegen en meer dan duizend hoeren, die eerst een vergunning moesten kopen alvorens hun ‘kruis’ ter beschikking te stellen.
Het stadje lag buiten de gezaggrenzen van Washington. Het recht was die van de sterkste en kwam, letterlijk, uit de loop van een Colt of Winchester, want alleen een suïcidale zwakzinnige had trek om daar de wet te handhaven.
Boothill Graveyard werd in 1879 geopend en met tweehonderdvijftig mannen en een enkele vrouw, die vrijwel allemaal op een gewelddadige manier ter hemel zijn getrokken, was het kerkhof in 1884 overvol. De houten grafzerken maken een verdacht frisse indruk alsof ze gisteren geplaatst zijn.
De beheerder van het souvenirwinkeltje én van het kerkhof, geeft uitleg. Volgens hem had dat allemaal te maken met de opkomst en populariteit van de westernfilm, zo’n zestig jaar geleden. Het toenmalige gemeentebestuur besefte dat ze iets unieks binnen de gemeentegrens hadden en begonnen het vervallen kerkhof te herstellen. Sindsdien wordt de begraafplaats én de zerken goed onderhouden.
Blij en opgelucht met die uitleg begin ik aan mijn tochtje over the Graveyard en kuier onder meer langs de rustplaats van de Kansas Kid, een onbekende cowboy, omgekomen bij een op hol geslagen kudde. Ik ga verder en passeer het gemeenschappelijke graf van Dan Dowd, Red Sample, Bill DeLaney en Dan Kelly, die, zo lees ik op hun steen, legaal opgehangen waren op 8 maart 1884.
De dood spaart niemand en is voor iedereen gelijk, maar leg dat maar eens uit aan wijlen George Johnson, die in 1882 ‘per ongeluk’ is opgeknoopt.
‘He was right, we was wrong, but we strung him up, and now he’s gone’, was het hilarische goedmakertje, wat de doodgraver in zijn steen beitelde.
Via de graven van Sixshooter Jim, door Burt Alvored neergeschoten, en John Heath, gelyncht in 1884 door de Bisbee Mob, kom ik uit bij de plek waar Dutch Annie op de ‘jongste dag’ ligt te wachten. Annie, zo lees ik in het gidsje, was de Queen van het toenmalige Red Lightdistrict en overleed aan tuberculose. Bij Annie’s ter aarde bestelling namen duizend diep bedroefde mensen afscheid van haar, waarvan ik het donkerbruine vermoeden heb dat dat allemaal mannen waren. Ik heb genoeg gemijmerd en wil nu actie…