Helden op Boothill Graveyard

Het is het uitzicht wat de plek uniek maakt. Vanaf de begraafplaats, boven op een heuvel, kijk je uit over een door de zon geteisterde, zinderende en stoffige prairie, omzoomt door de Dragoon Mountains. Er staan metershoge cactussen, in de knallend blauwe luch, loom zwevend op de thermiek, gieren, en als een potloodstreep loopt de interstate 80 dwars door het land heen .
Ik bevind mij op Boothill Graveyard, vlak buiten het dorpje Tombstone, in het zuiden van Arizona, zo’n zestig kilometer van de Mexicaanse grens. Als de ‘Wild West’ geschiedenis heeft dan is het allemaal in Tombstone terug te vinden.
Tombstone, gesticht rond 1870 door zilverzoekers, die daar grote voorraden van het glanzende metaal vonden, werd een ‘Booming Town’. Rond 1880 telde het plaatsje vijfduizend inwoners had honderdtien kroegen en meer dan duizend hoeren, die eerst een vergunning moesten kopen alvorens hun ‘kruis’ ter beschikking te stellen.
Het stadje lag buiten de gezaggrenzen van Washington. Het recht was die van de sterkste en kwam, letterlijk, uit de loop van een Colt of Winchester, want alleen een suïcidale zwakzinnige had trek om daar de wet te handhaven.
Boothill Graveyard werd in 1879 geopend en met tweehonderdvijftig mannen en een enkele vrouw, die vrijwel allemaal op een gewelddadige manier ter hemel zijn getrokken, was het kerkhof in 1884 overvol. De houten grafzerken maken een verdacht frisse indruk alsof ze gisteren geplaatst zijn.
De beheerder van het souvenirwinkeltje én van het kerkhof, geeft uitleg. Volgens hem had dat allemaal te maken met de opkomst en populariteit van de westernfilm, zo’n zestig jaar geleden. Het toenmalige gemeentebestuur besefte dat ze iets unieks binnen de gemeentegrens hadden en begonnen het vervallen kerkhof te herstellen. Sindsdien wordt de begraafplaats én de zerken goed onderhouden.
Blij en opgelucht met die uitleg begin ik aan mijn tochtje over the Graveyard en kuier onder meer langs de rustplaats van de Kansas Kid, een onbekende cowboy, omgekomen bij een op hol geslagen kudde. Ik ga verder en passeer het gemeenschappelijke graf van Dan Dowd, Red Sample, Bill DeLaney en Dan Kelly, die, zo lees ik op hun steen, legaal opgehangen waren op 8 maart 1884.
De dood spaart niemand en is voor iedereen gelijk, maar leg dat maar eens uit aan wijlen George Johnson, die in 1882 ‘per ongeluk’ is opgeknoopt.
‘He was right, we was wrong, but we strung him up, and now he’s gone’, was het hilarische goedmakertje, wat de doodgraver in zijn steen beitelde.
Via de graven van Sixshooter Jim, door Burt Alvored neergeschoten, en John Heath, gelyncht in 1884 door de Bisbee Mob, kom ik uit bij de plek waar Dutch Annie op de ‘jongste dag’ ligt te wachten. Annie, zo lees ik in het gidsje, was de Queen van het toenmalige Red Lightdistrict en overleed aan tuberculose. Bij Annie’s ter aarde bestelling namen duizend diep bedroefde mensen afscheid van haar, waarvan ik het donkerbruine vermoeden heb dat dat allemaal mannen waren. Ik heb genoeg gemijmerd en wil nu actie…

Advertenties

Avontuur in Big Nose Kate

Tombstone, om precies te zijn, het Historic District, kent vele monumenten en wandelen door Allen Street met zijn houten huizen én trottoirs, is terecht komen in het ultieme Hollywooddecor. Tombstone is ook het Volendam van de Western en dat zou ik weten ook!
Vandaag is het de eerste zondag van de maand, door de lokale VVV uitgeroepen tot ‘Wild West Day’ en waar iedere Tombstonian zijn of haar rol in heeft. Het centrum is autovrij gemaakt en de locals lopen allemaal western-correct gekleed. Boeren van omliggende farms hebben die dag hun pick-up truck laten staan en zijn per paard naar Tombstone gekomen: paard vastgebonden aan de balk voor het trottoir. Surrogaatcowboys, uit alle delen van de wereld, lopen op hun krakend nieuwe laarzen stoer te stampen op de houten trottoirs. Door het stadje rijdt ratelend een postkoets, getrokken door vier paarden, en zit overvol met toeristen. Ik laat de stagecoats voor wat die is en bezoek eerst de O.K. Corral, wat voor western-adepten verplichte kost is.
O.K. Corral, een openlucht paardenstal met omheining, was in oktober 1881 het decor van het historische vuurgevecht tussen Doc Holliday, Wyatt Earp versus de Clantonbende, en door Hollywood later, volledig uitgemolken. Een kaartje kost vijf dollar. Voor dat bedrag krijg ik dan ook nog een real gunfight te zien. Op de binnenplaats spelen een stuk of tien kerels cowboytje. Na het vuurgevecht hangt er een verstikkende blauwe kruitdamp.
 Van de meer dan honderd saloons die Tombstone ooit telde, zijn er nog drie over en volgens de uitbater is zijn kroeg de mooiste ten westen van de Mississippi. Of dat waar is weet ik niet maar Big Nose Kate is wel de allerberoemdste saloon van Arizona. Amerika telt weinig monumenten en als ze er één hebben dan hangt er, per definitie, een koperen bord met de geschiedenis aan het gebouw. Ook bij Big Nose Kate, waar ik lees dat de saloon stamt uit 1881, en dat aan de inrichting sindsdien weinig is verandert.
Historische figuren, welke allemaal  de drempel zijn gepasseerd, worden ook vermeldt. Het is alsof ik de volledige literaire werken van Lukey Luke onder ogen krijg, want Ike Clanton, Frank en Jesse James, de Dalton Brothers, Billy the Kid, Doc Holliday, Wyatt Earp én Calamity Jane mochten bij Kate graag een afzakkertje halen.
Het interieur stelt niet teleur. Alleen al de binnenkomst door die klapperende saloondeurtjes… Onwillekeurig laat ik mijn rechterhand zakken, tien centimeter onder mijn heup en vlak boven een denkbeeldige revolver.
De acht meter lange toog is van donker eikenhout, aan de achterkant voorzien van een grote spiegel. Aan de plafonds olielampen, boven de piano een bordje met  Don’t shoot at the pianist.   Op de geschuurde houten vloer koperen kwispedoors en aan de grote ronde stamtafel zitten, geloof het of niet, een vijftal cowboys poker te spelen. Op tafel stapeltjes zilveren dollars.
Bier bestellen is een avontuur op zich. De ‘bartender’ tapt deze in grote glazen pullen mét handvat en slingert die, metersver, over de toog naar je toe. 
‘Howdy’ is de begroeting die ik krijg van een zekere Tex. Met zijn verfomfaaide kleding en hoed oogt Tex of hij zojuist een complete op hol geslagen kudde koeien in zijn eentje tegen gehouden heeft. Tex kom ik tegen in het Bird Gace Theater, enkele panden verder voorbij Big Nose Kate. Met een verlekkerde blik wijst hij naar de honderdveertig kogelgaten in de muren en plafonds: stille getuigen van de zestien vuurgevechten die hier plaats hebben gevonden.
Het theater was tussen 1880 en 1889 vierentwintig uur per dag geopend en werd in 1889, compleet met inrichting, dicht gespijkerd. Pas in de jaren dertig van de vorige eeuw, werd ze aan de vergetelheid ontrokken. Een onverwachte meevaller. Het theater is nu precies zoals ik dat in de vele Westernfilms zag.
Aan de muren en plafonds wulpse en frivole schilderingen, olielampen en aan weerszijden van de speelvloer en toneel veertien ‘kooien’ waar de mijnwerkers en cowboys zich lieten verwennen door de ‘lichtekooi’van hun keuze. Dat Lily Langtree, toenmalig Sweathart of the cowboys, daar nog is opgetreden neem ik voor kennisgeving aan. Tex beweert dat zijn ‘Cage’ het Sodom en Gomorra van de prairie was en om zijn woorden kracht bij te zetten vertelt hij dat de New York Times, in 1882, het Bird Cage Theater de meest verdorven plek van Amerika vond.
Gelukkig heeft Tex nooit de Amsterdamse Stoofsteeg bij nacht gezien. 
We bedanken Tex voor zijn uitleg en krijgen van hem nog op het hart gedrukt om vooral naar het Tombstone Courthouse te gaan met zijn gevangenis en originele galg.

Ten westen van de Pecos River

Het is een levende nachtmerrie. Rij je midden in een van god-en-alleman verlaten West_texas, met links de woeste uitlopers van Mount Davids en rechts slingert ergens de Rio Grande. Je hebt het gevoel dat je in een docu van National Geographic bent belandt. De  highway 90 south, ook wel de Texas Mountain Trail, is de volkomen verlatenheid en het ontbreken van menselijke aanwezigheid één grote kick. En dan gebeurt er iets onverwachts! Passeer je opeens, midden in die wilde en ongerepte natuur  een eenzaam winkeltje van Prada: dat kakkineuze, snobistische en peperdure Parijse modehuis. Je verstand staat even stil.
Hevig verontrust dat de decadentie de prairie bereikt heeft wordt een noodstop gemaakt.Tot verbijstering liggen en staan in de etalage tasjes en schoenen van duizenden euro’s per stuk. Een dejávu dat om de hoek die vreselijke Jort Kelder staat ketst door mijn hoofd.  Goddank is Jort er niet. Wél een klein bordje met de tekst dat winkel, voorzien van kogelvrij glas een kunstobject is, geschonken door  een kunstenaarscollectief uit het naburige Marfa. Aan de kogelinslagen op het gebouwtje te zien zijn de locals geen echte kunstliefhebbers. Na de onverwachte kunstuitbarsting verder over de ‘90’.
Zes uur zuidelijker wacht het Big Band National Park waar alle cliché’s van toepassing  zijn. Met zijn woestijnen, prairies, canyons, droog gevallen rivieren, cactussen én gieren rustend op paaltjes, is de Big Band één groot decor voor een westernfilm. Het park ter grote van Nederland is het domein van coyotes, de golden eagle, poema, beren én de roadrunner. Ook werden er prehistorische fossielen van vliegende reptielen gevonden. Wij komen niet voor het beestenspul noch voor die versteende griezels maar voor Boquillas Canyon, hoog in de bergen.
Staand boven op de canyon, in een huilende wind, heb je het mooiste uitzicht op de Rio Grande wat niet meer dan een lullig stroompje blijkt te zijn. De rivier is tevens de grens tussen Mexico en de Verenigde Staten. Van de Border Patrol, de gevreesde grenspolitie is op het eerste gezicht niets te zien noch te merken. Voor een modale Mexicaanse illegaal lijkt het een eitje om de grens over te wippen. Niet doen. Vanaf de top van de canyon zie je, in  de schaduw van de bomen met hun paarden vast gebonden, de jongens van de Border Patrol liggen wachten op hun prooi.
Het park wordt achter gelaten. De reis naar het zuiden gaat verder. Langs de Mexicaanse  border, dwars door de Chihuahua Desert op weg naar Langtry:  een vlooiepik op de landkaart. Langtry, een spookstadje. Amper honderd inwoners maar weer wél barstensvol met westerngeschiedenis want herbergt de saloon van de legendarische judge Roy Bean. Een wonder op zich dat het er nog staat in een land dat alles tegen de vlakte gooit wat niet meer rendabel is.
In de Jersey Lilly Saloon, gebouwd in 1880, werd niet alleen in gezopen maar ook rechtgesproken. De excentrieke Roy Bean, barkeeper en rechter, en altijd in gezelschap van een bruine beer genaamd Bruno, was ‘de wet’ ten westen van de Pecos River.
In de saloon waar je volgens een bordje aan de wand niet mocht schieten, hard praten en spugen hield de excentrieke Bean hof en veroordeelde de verdachte  steevast tot het betalen van een geldboete gelijk het bedrag wat hij in zijn zak had.
Het geld was uiteraard voor Bean zelf. In de spookachtige, lege, Spartaans ingerichte kroeg, waar de vloeren en muren kraken onder iedere stap gaat de verbeelding met je aan de haal. Bean, hoe dacht jij over dat Pradawinkeltje’, hoor ik mij zelf zeggen. Op een begraafplaats  in het verderop gelegen Del Rio ligt de judge in zijn graf te stuiteren.

Swingend de hangar in

Indachtig de kreet‘Go West Youngman’ wordt highway 180 opgezocht, die  dwars door de woestijnen  en prairies van West-Texas gaat. Het is stoffig, stil, heet en totáál verlaten. Het verkeer is net zo druk als het aantal luizen op een kaal hoofd! Maar het uitzicht maakt alles goed want die  is  ‘spacy’: zover het oog reikt alleen maagdelijk woestijn. Een enkele keer dwarrelt in de  dessert  een stofwolkje op. De Border-Patrol  in hun four wheels zijn druk op zoek naar illegalen Mexicanen. De Mexicaanse grens, maar ook de Rio-Grande River, is nooit ver weg. 
De highway zoekt golvend zijn weg. Luchtspiegelingen spelen een spel. Een enkele keer is het net of op het zachte asfalt iemand een verenkussen heeft leeg geklopt.  Tientallen gieren doen zich dan te goed aan een kadaver. 
De ‘180’ voert urenlang door een uitgestrekte, desolate, leegte waar ‘ja-knikkers’, pompend naar olie, heftig op en neer gaan. In dat godsgloeiend hete  maanlandschap bevindt zich  Midland, vernoemd naar de middelste stop langs de Texas and Pacific Railroad tussen Forth Worth en El Paso.
Midland, hometown of George Bush, een stoffig, naargeestig ‘gat’ waar net zo veel te beleven valt als op een zondagmiddag in Staphorst. Maar het lokale vliegveld, maakt weer alles goed. Want daar bevind zich het American Airpower Heritage, een luchtvaartmuseum met veel ‘stuf’ uit de Tweede Wereldoorlog. 
De entree van het museum, waarvoor zes dollar betaald is, is meteen goed. Uit verborgen speakers klinken de stemmen van the Andrew Sisters.  Terwijl deSweethearts of the Forces, het inmiddels stokoude, maar  nog steeds lekker klinkende, ‘Rum & Coca Cola’ ten gehore brengen, wordt swingend ‘hangar 1’bereikt, wat doel  van het bezoek is
Dwalen door die tochtige, naar verse olie ruikende hangar is terecht komen in een documentaire over de luchtoorlog boven Europa. Vliegende Forten, Mustangs, Spitfires en andere vliegmachines uit de laatste wereldoorlog: het IJsselmeer ligt er vol mee! Maar in hangar 1 staan de oude ‘krijgers’ nog stoer op hun landinggestellen. Je kunt ze voelen, ruiken, bekijken en via de open bomluiken het binnenste verkennen. Staand onder Fifi, een Vliegend Fort, gaf een aparte dimensie. Hoogstwaarschijnlijk hebben vele oudere Amsterdammers Fifi ook gezien:  de Tweede Wereldoorlog hoog vliegend boven de stad.
Het museum, een kleine maar uitgekiende collectie, waaronder een Mitchel B-25 bommenwerper, zo één waar de legendarische Jimmy Doolittle, in 1941 zijn beroemde, en op dat moment, onmogelijk geachte raid op Tokio  uitvoerde. Maar de grote verrassing van het museum moest nog komen, want de kunstgalerie….  

Kunst van boordschutter

Het American Airpower Museum heeft ook een héél bijzondere ‘kunstgalerie’. Daar  hangt, in diffuus licht,  onder meer het werk van ene Gordon Snyder.
Gordon Snyder was niet alleen boordschutter van de ‘Sloppy but Safe’, een B-17 bommenwerper, maar ook een verdienstelijk kunstschilder. Eind 1942 schilderde Gordon, op de neus van zijn ‘Vliegend Fort’, een metersgrote pin-up girl. Gordon én zijn  ‘Sloppy’  namen daarmee hun plaatsje in de geschiedenis in.
Samen met vierendertig andere ‘neusschilderingen’, van gevechtstoestellen uit de Tweede Wereldoorlog, hangt Gordon’s creatieve uitbarsting in de Nose Art Gallery van het American Airpower Heritage Museum. 
Hoe het met Gordon Snyder is afgelopen? Onbekend! Maar weet wél dat de ‘Sloppy but Safe’ zijn naam alle eer aan deed.
Aan het aantal geschilderde ‘bommetjes’ te zien, bleek dat de ‘Slordig maar Veilig’, meer dan negentig geslaagde aanvallen op Nazi-Duitsland had gedaan en telkens weer veilig op zijn thuisbasis in Engeland landde.

Het ruige en lege West-Texas

Vergeet de  kneuterige Nederlandse verhoudingen en heb vooral geen last van pleinvrees. Pas als je dat overboord gegooid heb ben je klaar voor het ruige West-Texas met zijn onheilspellende leegte. ‘Zwerven’ tussen  Dallas,  El Paso en langs de Rio Grande dat is het ultieme Lukey Luke gevoel ondergaan want rijden door verlaten vlaktes, woestijnen, en prairies. In dat  desolate niemandsland is er ook nog zoiets als cultuur, weliswaar westerncultuur.  Zoals in  Fort Stockton, waar door de Cattleroad, de hoofdstraat,  een kleine kudde longhorns-koeien sjokt. Begeleid door cowboys met knallende zwepen sjokken ze hun dagelijkse route. Een door de lokale VVV strak geregisseerde optocht om de massaal toegestroomde toeristen een indruk te geven hoe het eens was.
Fort Stockton, vijftig kilometer ten westen van Dallas was, vanaf 1866, hét verzamelpunt van al het vee ten oosten van de Rio Grande. Jaarlijks werden honderdduizenden koeien hier bijeen gedreven en met treinen afgevoerd naar de slachthuizen aan de oostkust. Maar dat is al decennia geschiedenis.
Inmiddels is het stadje uitgeroepen tot beschermd stadsgezicht. Met zijn historische treinstation, saloons, steakhousen, zadelmakerijen, én bootsshops heeft het nog een beetje de sfeer van het Wilde Westen behouden. En zo sullig het s’morgens aan toegaat zo wild is de avond. Maar daarvoor moet je wel in het Coliseum zijn of in één van de vele saloons of honkytonktenten. Ik kies voor het Coliseum, Home of the Rodeo, en gebouwd in 1908.
Voor  het overdekte stadion, staat een lange rij cowboys  te wachten, om zich in te schrijven voor het nationale kampioenschap Wild Horse Riding!
Als de deelnemers, piepjonge boerenzoons mét imposante Stetsonhoeden, voorzien zijn van een rugnummer, klossen ze op hun laarzen, uiterst relaxed, richting stadion.
In het Coliseum ruikt het ‘ bah’!  De adem wordt afgesneden door een penetrante geur van koeienstront en paardenpis! Het is druk, want zaterdagavond en de tribunes zijn afgeladen! Temidden van complete gezinnen wordt een plaats gezocht.
De show gaat beginnen. Maar eerst krijg ik een lesje in nationalisme: nadat twee amazones,  met wapperende Een lokale zangeres, westernhoedje én laarzen, begint de nationale hymne te galmen. Als één man staat het volk op! 
Als de beproeving doorstaan is gaat het spektakel van start.
Al geruime tijd klinkt, vanuit een box vlak naast de arena, een onheilspellend gebonk. Vastgeklemd door vier hekken staat een wilde bronco te schuimbekken. Op zijn rug neemt een jochie van hooguit zeventien jaar plaats. En dan gebeuren er meerdere dingen tegelijk! Het hek wordt weg getrokken, en het is dan net of er een vulkaan ontploft.  Paard met ruiter springt, bokt en rent de zandbak in. Texanen  blijken een opmerkelijk gevoel voor humor te hebben!
Hoe wilder een cowboy er van gegooid werd  hoe harder er gelachen en gejoeld wordt! Hoogtepunt was die ene cowboy die met zijn laars in de stijgbeugel, van een op hol geslagen paard, bleef hangen. De wereld van Anky van Grunsven was op dat moment héél ver weg!
Aan de kids was ook gedacht! In de pauze mocht het aanwezige grut plaats nemen in de piste!   Zo’n vijftig kinderen, allemaal westerncorrect gekleed,  plaatsen zich midden in de arena, op  één lijn. Achter hen gaat een hek open! Een kalfje van hooguit enkele weken oud, drentelt de zandbak in. De cowboys in spé zetten een woeste ren in, richting diertje. Het beestje spurt voor zijn leven. Je hoeft geen ‘ dierenpsych’ te zijn om te weten  dat het beest voor de rest van zijn leven getraumatiseerd is.