80.000 Brullende motoren

En ze waren allemaal aanwezig. De Red Knights, de Blood Brothers, de mannen van de  American Legion Riders, de Vietnam Riders,  en veel, heel veel ‘vrije’ rijders. Onder hun kont het ultieme vrijheidssymbool, een ploffende, en grommende Harley- Davidson. Als de hel een geluid heeft dan moet dat lijken op tachtigduizend brullende motoren. Want zoveel motorrijders troffen elkaar bij het Delmarva Bike Week, het jaarlijkse treffen in Ocean City,  aan de kust van Maryland.
Hoewel ik  nooit een buddysit tussen de benen had, is motorrijden in Amerika, van een heel andere beleving dan thuis. Zijn bikers  in Nederland altijd gehuld in dik leer mét een helm op, in Ocean City onder een gloeiende zon, gebeurd dat in een mouwloze jack al dan niet met een bandana op het hoofd. In een urenlange optocht, wiel aan wiel, van de vroege morgen tot laat in de avond, over de vijftien kilometer lange boulevard, is het zien en gezien worden.  Favoriete stopplaats is de plaatselijke Harley-Davidson dealer waar, in de showroom, o ironie, geen motor te bekennen valt maar wél alles op het gebied van motormode.
Op de immense parkeerplaats honderden motoren, en tientallen stalletjes waar de Confederale rebellenvlag uitdagend boven wappert. Aan de modale gemotoriseerde rebel is duidelijk gedacht. Je kunt er je tank kunstzinnig laten beschilderen, helmen kopen, leren kleding, zonnebrillen en de patches: de fel gekleurde, gestileerde afbeeldingen, door een zwetende bebaarde man een ratelende naaimachine, direct op het jack genaaid. Patches, daar is de status van een motorrijder aan af te lezen.
En uit sommige afbeeldingen blijkt dat bikers een ijzeren geheugen hebben. Dat filmster Jane Fonda midden in de Vietnam-oorlog naar Hanoi vertrok om haar sympathie met Amerika’s vijand te betuigen, dat zijn ze in ‘het Zuiden’ nog lang niet vergeten. ‘Fuck Jane’ staat op tientallen patches, waarbij de actrice in compromitterende houding, ‘verwend’ wordt door Ho Tchi Min, de toenmalige leider van de Vietcong. Dat haar eveneens acterende broer Peter  zich uiteindelijk tot Amerika’ s ultieme Easy Rider zou ontpoppen, doet daar blijkbaar weinig aan af.
Bij een van die stalletjes stond een angstaanjagend uitziende kerel voorzien van een woeste baard, getatoeëerde armen en gehelmd met ‘model Wehrmacht 1941’. De man maakt  de stevige indruk wel trek te hebben om mijn kop er af te slaan. Een vooroordeel. Terwijl hij een bijbeltraktaatje in mijn handen stopte gromde hij of ik mij wel bewust was dat HIJ ook voor mij gestorven was. Halleluja-juteperen! Praise the Lord!
Voor mij stond een heuse Rider for Jesus, althans dat stond met grote letters op zijn armen én achter op zijn jack. Zijn motor, een missiepost op twee wielen, waar de Heer, een heel prominente plaats op innam. Vanaf een glimmende en blinkende benzinetank kijkt een aan het kruis genagelde Jezus mij lijdend aan.
Ik moet mijzelf door een wirwar van gestalde motoren wringen om de ingang van de obscure lokale kroeg, te bereiken. Gelokt door harde muziek een rock ’n rollband, stap ik naar binnen  Ik beland ogenblikkelijk in de wereld van ZizzyTop en Jerry Springer. De band speelt nummers van Creedence Clearwater en de zangeres lijkt griezelig veel op wijlen Janis Joplin.
De tent barst uit zijn voegen. Mannen met baarden tot aan de navel, haarvlechten, bandana,  armen vol tatoo’s en gekleed in leer, denim en laarzen. Ik loop rond in een oenige korte broek en lullig T-shirtje. Bier wordt gedronken uit flessen. Op het poolbiljart ligt een meid te slapen, in kennelijke staat. Mij wordt geen blik gegund.
Dan gebeuren er verschillende dingen tegelijk. Opgezweept door bier, én de muziek springen een paar meiden op de bar. T-shirts worden uitgetrokken die het publiek in verdwijnen.
Blote borsten dansen en deinen op de maat van de rauwe klanken van Janis. Een van de bikers blijkt over ongekende creatieve talenten te beschikken. Met een keu krijtje begint hij tepels blauw te ‘krijten’.

Terwijl zes blauwe punten in het rond zwiepen, de kroeg los gaat, verdwijn ik in het donker van de nacht.

Advertenties

Ten westen van de Pecos River

Het is een levende nachtmerrie. Rij je midden in een van god-en-alleman verlaten West_texas, met links de woeste uitlopers van Mount Davids en rechts slingert ergens de Rio Grande. Je hebt het gevoel dat je in een docu van National Geographic bent belandt. De  highway 90 south, ook wel de Texas Mountain Trail, is de volkomen verlatenheid en het ontbreken van menselijke aanwezigheid één grote kick. En dan gebeurt er iets onverwachts! Passeer je opeens, midden in die wilde en ongerepte natuur  een eenzaam winkeltje van Prada: dat kakkineuze, snobistische en peperdure Parijse modehuis. Je verstand staat even stil.
Hevig verontrust dat de decadentie de prairie bereikt heeft wordt een noodstop gemaakt.Tot verbijstering liggen en staan in de etalage tasjes en schoenen van duizenden euro’s per stuk. Een dejávu dat om de hoek die vreselijke Jort Kelder staat ketst door mijn hoofd.  Goddank is Jort er niet. Wél een klein bordje met de tekst dat winkel, voorzien van kogelvrij glas een kunstobject is, geschonken door  een kunstenaarscollectief uit het naburige Marfa. Aan de kogelinslagen op het gebouwtje te zien zijn de locals geen echte kunstliefhebbers. Na de onverwachte kunstuitbarsting verder over de ‘90’.
Zes uur zuidelijker wacht het Big Band National Park waar alle cliché’s van toepassing  zijn. Met zijn woestijnen, prairies, canyons, droog gevallen rivieren, cactussen én gieren rustend op paaltjes, is de Big Band één groot decor voor een westernfilm. Het park ter grote van Nederland is het domein van coyotes, de golden eagle, poema, beren én de roadrunner. Ook werden er prehistorische fossielen van vliegende reptielen gevonden. Wij komen niet voor het beestenspul noch voor die versteende griezels maar voor Boquillas Canyon, hoog in de bergen.
Staand boven op de canyon, in een huilende wind, heb je het mooiste uitzicht op de Rio Grande wat niet meer dan een lullig stroompje blijkt te zijn. De rivier is tevens de grens tussen Mexico en de Verenigde Staten. Van de Border Patrol, de gevreesde grenspolitie is op het eerste gezicht niets te zien noch te merken. Voor een modale Mexicaanse illegaal lijkt het een eitje om de grens over te wippen. Niet doen. Vanaf de top van de canyon zie je, in  de schaduw van de bomen met hun paarden vast gebonden, de jongens van de Border Patrol liggen wachten op hun prooi.
Het park wordt achter gelaten. De reis naar het zuiden gaat verder. Langs de Mexicaanse  border, dwars door de Chihuahua Desert op weg naar Langtry:  een vlooiepik op de landkaart. Langtry, een spookstadje. Amper honderd inwoners maar weer wél barstensvol met westerngeschiedenis want herbergt de saloon van de legendarische judge Roy Bean. Een wonder op zich dat het er nog staat in een land dat alles tegen de vlakte gooit wat niet meer rendabel is.
In de Jersey Lilly Saloon, gebouwd in 1880, werd niet alleen in gezopen maar ook rechtgesproken. De excentrieke Roy Bean, barkeeper en rechter, en altijd in gezelschap van een bruine beer genaamd Bruno, was ‘de wet’ ten westen van de Pecos River.
In de saloon waar je volgens een bordje aan de wand niet mocht schieten, hard praten en spugen hield de excentrieke Bean hof en veroordeelde de verdachte  steevast tot het betalen van een geldboete gelijk het bedrag wat hij in zijn zak had.
Het geld was uiteraard voor Bean zelf. In de spookachtige, lege, Spartaans ingerichte kroeg, waar de vloeren en muren kraken onder iedere stap gaat de verbeelding met je aan de haal. Bean, hoe dacht jij over dat Pradawinkeltje’, hoor ik mij zelf zeggen. Op een begraafplaats  in het verderop gelegen Del Rio ligt de judge in zijn graf te stuiteren.