Reizend door de bluesgeschiedenis

Eindeloos uitstrekkende katoenvelden. Strak blauwe lucht. Een zinderende zon. Armoedige houten huisjes. Op  veranda’s black locals, loom schommelend in hun stoel.  En ergens in de verte kabbelt de Mississippi. Wij zijn in de Mississippi-Delta.  Een landschap dat niets heeft  van de lieflijkheid van Tennessee, noch de charmes van de Carolina’s,  Georgia en Virginia. Het is er vlak, saai, uitgestrekt, meedogenloos heet en hard. De armoede spat je van alle kanten tegemoet.  Maar de Delta heeft wél iets dat je nergens anders in Amerika tegenkomt: de roots van de blues. Dat de laatste  in de Delta  ontstaan zijn  is met die omstandigheden niet zó verwonderlijk.
De Delta én de Blues.  En mocht de argeloze reiziger niet op de hoogte zijn van muziekgeschiedenis, dan werd deze lacune bij de staatsgrens  wel even bijgespijkerd. ‘Welcome to Mississippi, Birthplace of America’s Music’ staat op het niet te missen grensbord. Of wij dat niet weten.  Daar zijn wij immers naar op zoek.
Wat muziek betreft werd een dag eerder, in Memphis de ‘aftrap’ genomen. Wat voor de Delta de blues is, is rock ’n roll voor Memphis.  Elvis,  Graceland én de legendarische Sun-Studio, dé toppers van de stad.
Nu zijn wij drie uur ten zuiden van Memphis, rijdend  over de highway 61. Bestemming Clarksdale, hartje Delta.
Maar eerst even de  highway 61. Dat deze  kilometerslange, doodstille weg, nu de Bluestrail genoemd wordt sta ik niet van te kijken. De ‘61’, ongetwijfeld vaak bezongen door de bluesjongens. Ik  durf er dan ook niet aan te denken hoe veel legendes  over de ‘61’  zijn getuft, op weg naar het rijkere noorden, de armoede achter zich latend. Grootheden als Muddy Waters, Howlin Wolfe, John Lee Hooker en Eddie Calhoun, maar ook Sam Cooke en Ike Turner, zeker. En allemaal moeten zij het kruispunt highway 61 met de ‘49’ zijn gepasseerd. Niet geheel toevallig siert op  deze crosroads nu twee gigantische grote gitaren staand op een paal.
Een opwarmertje voor wat een paar kilometer verder staat te wachten. Het Delta Blues Museum dus! Gevestigd in een voormalig depot van een treinstation. Dat het gebouw in een troosteloze, armoedige, afbraakwijk staat bevestig alleen maar het  begrip ‘blues’…
Het begin is meteen goed. Op het trottoir  voor het museum liggen diverse bronzen ‘struikelstenen’ met de naam van een blueslegende. Behendig spring ik over die van Ike Turner heen. Ike, indertijd zijn Tina honds behandelend, is een geboren en getogen Clarksdaler. Evenals Sam Cooke en John Lee Hooker. Het museum is rauw, eerlijk, zonder opsmuk, zoals de blues zelf. Voor tien dollar dompel ik mij onder in de bluesgeschiedenis.
Dat Muddy Waters als kind in Clarksdale kwam te wonen zijn ze in het museum niet vergeten. De hut, want meer is het niet, waar hij in opgroeide, werd van afbraak gered en is één van de hoogtepunten van het museum.  En nee, ik ga niet uitgebreid uitweiden over de expositie. Ik hou het maar bij dat voor een gemiddelde muziekliefhebber  het museum verplichte kost is.  Alleen al  de gitaarcollectie van John Lee Hooker was een omweg naar het Delta Blues Museum meer dan waard. Kortom voor de reiziger één grote aanraaier.

Advertenties